NL
Gepubliceerd op 15/01/2026

HR Tax - Geïndexeerde bedragen voor inkomstenjaar 2026

De afgevlakte gezondheidsindex voor december 2025 werd vorige maand bekendgemaakt. Dit heeft ook impact op een aantal fiscale bedragen die van toepassing zijn vanaf het inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027).

We zetten een aantal bedragen die relevant zijn voor de HR-praktijk, voor u op een rij.

Een aantal anderen zijn gegroepeerd in volgende bijlage: Aanslagjaar 2027 indexgebonden bedragen.pdf

Opgelet! De wet houdende diverse fiscale bepalingen voorziet in de (tijdelijke ) niet-indexering van bepaalde fiscale bedragen. Voor sommige bedragen is de niet-indexering reeds van toepassing vanaf het inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026). Het gaat om dezelfde bedragen als die waarvoor de indexering voor de aanslagjaren 2021 tot 2024 reeds werd bevroren. Voor de HR praktijk heeft dit invloed op de vrijstelling voor werkgeverstussenkomst woon-werkverkeer met een ander vervoermiddel dan het gemeenschappelijk openbaar vervoer of het gemeenschappelijk vervoer georganiseerd door de werkgever (zie verder en zie ook: Publicatie wet houdende diverse bepalingen: overzicht - LWB)

Minimum voordeel alle aard bedrijfswagen

Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde wagen, mag vanaf 2012 nooit minder bedragen dan 820 EUR (niet-geïndexeerd) per jaar.

Voor inkomstenjaar 2026 komt dit neer op een ondergrens van 1.690 EUR (vorig jaar 1.650 EUR).

In het kader van het woon-werkverkeer  

Fietsvergoeding

Werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van NAR-cao nr. 164 moeten hun werknemers voor woon-werkverplaatsingen met de fiets een vergoeding toekennen van 0,30 EUR (vorig jaar 0,29 EUR per kilometer). Hier geldt een begrenzing qua afstand (20 km enkele rit).

Werkgevers die niet gebonden zijn door deze suppletieve cao mogen hun werknemers en bedrijfsleiders maximaal 0,37 EUR per effectief gefietste woon-werkkilometer toekennen (vorig jaar 0,36 EUR per kilometer).

Bijkomend geldt vanaf inkomstenjaar 2025 een maximale vrijstelling. Voor het inkomstenjaar 2026 bedraagt het geïndexeerd bedrag van deze maximale vrijstelling 3.700 EUR per jaar (voor inkomstenjaar 2025 was dat 3.610 EUR per jaar). Deze grens geldt zowel voor werknemers als bedrijfsleiders.

Eigen vervoer

Elke werkgeverstussenkomst voor het woon-werkverkeer met een ander vervoermiddel dan het openbaar vervoer of het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer is gedeeltelijk vrijgesteld van belastingen tot een welbepaald maximumbedrag. Deze vrijstelling is van toepassing in de eindbelasting op voorwaarde dat de werknemer er niet voor kiest om zijn werkelijke beroepskosten te bewijzen.

Een bedrijfsleider heeft geen recht op deze vrijstelling.

Voor het inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026) werd het bedrag van deze vrijstelling eenmalig niet geïndexeerd. Dit betekent concreet dat het maximumbedrag voor inkomstenjaar 2025 werd teruggebracht op 490 EUR per jaar.

Vanaf inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027) wordt de index opnieuw toegepast en bedraagt het vrijgestelde bedrag maximum 500 EUR per jaar. In de bedrijfsvoorheffing vertaalt dit zich in een maandelijkse vrijstelling van 41,70 EUR.

Voordeel van alle aard elektriciteit en verwarming

De werkgever kan kosteloos verwarming en elektriciteit (gebruikt voor andere doeleinden dan verwarming) ter beschikking stellen.

De waarde van het voordeel dat daaruit voortvloeit, wordt forfaitair bepaald op voorwaarde dat de werkgever de verwarming/elektriciteit in combinatie met de woning ter beschikking stelt.

De waardering staat dan los van de werkelijke verbruikskosten.

Elektriciteit                                                                      2025                   2026

Bedrijfsleider en leidinggevend personeel          1.250 EUR             1.280 EUR

Andere verkrijgers                                                    560 EUR                580 EUR

Verwarming

Bedrijfsleider en leidinggevend personeel           2.500 EUR            2.560 EUR

Andere verkrijgers                                                   1.130 EUR             1.150 EUR

Revalorisatiecoëfficiënt kadastrale inkomens

De revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens (K.I.) bedraagt 5,75 (vorig jaar 5,63). Bepaalde bedrijfsleiders genieten huurinkomsten wanneer zij een gebouwd onroerend goed verhuren aan de vennootschap waaraan zij verbonden zijn. De revalorisatiecoëfficiënt is onder meer van belang bij de taxatie van deze huurinkomsten.

De huurprijs (en huurvoordelen) zullen voor deze bedrijfsleiders als bedrijfsinkomsten worden belast, wanneer zij meer bedragen dan 5/3e van het gerevaloriseerd K.I. Dit is het K.I., vermenigvuldigd met de revalorisatiecoëfficiënt.

Auteursrechten

Absolute grens

De inkomsten uit de vergoeding voor de overdracht of licentieverlening van auteursrechten verkregen in het kader van de beroepsactiviteit worden tot een maximaal bedrag van 77.220 EUR (vorig jaar 75.360 EUR) onweerlegbaar geacht roerende inkomsten te zijn. Deze zijn onderworpen aan 15% roerende voorheffing.

Naast het absolute grensbedrag gelden er nog andere, cumulatieve grenzen en beperkingen. Indien de overdracht of licentie gepaard gaat met een prestatie legt de wet een 30/70-verhouding op tussen respectievelijk de inkomsten uit auteursrechten en de totale bezoldiging.

Forfaitaire kostenaftrek

Inkomsten                                          % kostenforfait

tot 20.590 EUR                                       50%

van 20.590 tot 41.180 EUR                  25%

boven 41.180 EUR                                geen

Let op! Het begrotingsakkoord bevat een schrapping van deze forfaitaire kostenaftrek, waardoor betrokken werknemers netto zullen moeten inboeten.

Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing werken in onroerende staat

Om te genieten van deze steunmaatregel, moet de werknemer een bruto-uurloon verdienen vóór inhouding van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen, van minstens 13,75 EUR (vóór indexering).

Voor inkomstenjaar 2026 bedraagt dit minimum uurloon 17,64 EUR (vorig jaar 17,27 EUR).

Maximumbedrag netto bestaansmiddelen

Bestaansmiddelen

Om te beoordelen of een kind nog ten laste is van zijn ouder of een ander persoon die hem of haar opvoedt, houdt men rekening met de bestaansmiddelen van het kind. Voor het inkomstenjaar 2026 bedraagt het geïndexeerde bedrag 12.300 EUR op jaarbasis.

Vrijstellingen

Bepaalde inkomsten van het kind worden niet in rekening gebracht bij de beoordeling van de grens netto bestaansmiddelen om fiscaal als kind ten laste worden beschouwd. Ook hier wijzigen een aantal zaken vanaf het inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026).

Meer bepaald op het vlak van:

  • Doctoraatsbeurzen: Studiebeurzen die geen aanleiding tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid tellen voortaan wel mee als bestaansmiddel.
  • Inkomsten uit studentenarbeid: Voor het inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027) gaat het over een geïndexeerd bedrag van 7.010 EUR.

De andere vrijstellingen van bestaansmiddelen (eerste schijf van regelmatig betaalde onderhoudsgelden, wezenpensioenen en wezenrenten...) blijven ongewijzigd behouden.

Flexi-job

De bezoldigingen die zijn verkregen in uitvoering van een flexi-job-arbeidsovereenkomst zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen.

Wanneer de werknemer geen gepensioneerde is, geldt de vrijstelling echter slechts voor een maximumbedrag. In 2025 bedraagt het maximaal bedrag dat van belastingen is vrijgesteld 18.000 EUR. Dit bedrag zal jaarlijks geïndexeerd worden.

Voor het inkomstenjaar 2026 bedraagt het maximaal bedrag 18.440 EUR.

Bron: www.sd.be/ellawebsite