De Nationale Arbeidsraad (NAR) steunt de plannen van de regering om vanaf 2027 een verplicht aanbod mobiliteitsbudget voor werknemers met (recht op) een bedrijfswagen in te voeren. Tegelijk vragen de sociale partners enkele bijsturingen aan wat nu voorligt.
De NAR heeft een unaniem advies uitgebracht over het voorontwerp van wet dat voorziet in de verplichting voor werkgevers om een mobiliteitsbudget aan te bieden aan werknemers met (recht op) een bedrijfswagen.
De sociale partners steunen die koers, maar koppelen hun steun wel aan bijsturingen op drie vlakken.
De sociale partners vragen om het mobiliteitsbudget administratief te vereenvoudigen.
Drempel
Volgens de huidige plannen zou het verplichte aanbod ingaan op:
De verplichting zou niet gelden voor werkgevers met gemiddeld minder dan 15 werknemers.
De drempels (<15 en ≥50) zullen dus bepalend zijn voor de vraag of en vanaf welke datum een werkgever verplicht wordt om een mobiliteitsbudget aan te bieden aan werknemers met (recht op) een bedrijfswagen.
De sociale partners vragen om maximaal gebruik te maken van bestaande instrumenten, zoals de RSZ-belangrijkheidscode, om de drempels te bepalen. Voor een gemiddelde van 15 werknemers bestaat geen corresponderende belangrijkheidscode.
De vraag komt er in feite op neer om de drempel te verlagen naar gemiddeld 10 of op te trekken tot gemiddeld 20 werknemers.
Daarnaast vragen de sociale partners ook om duidelijkheid te scheppen over het moment waarop de ‘foto’ van het gemiddeld aantal werknemers moet genomen worden.
Berekeningsformule
Het mobiliteitsbudget is qua omvang gelijk aan de total cost of ownership (TCO) voor de werkgever van de wagen die men opgeeft.
Ook de TCO-berekening willen ze vereenvoudigd zien met daarbij vooral een grotere rol voor de leasingmaatschappijen. Zij zouden de TCO‑berekening op een uniforme en transparante manier moeten vermelden op de leasingdocumenten.
Toepassingsgebied - werknemers met mobiele functie
Daarnaast heeft de NAR ook aandacht voor werknemers die hun wagen nodig hebben voor de uitoefening van hun functie.
Waar het voorontwerp toelaat dat bepaalde categorieën werknemers verplicht zouden kunnen worden om een wagen te kiezen binnen pijler 1, pleit de NAR ervoor om deze groep tijdelijk uit te sluiten van het verplichte aanbod, en dat tot eind 2029.
Wie binnen een straal van 10 kilometer van het werk woont en/of minstens 50% van zijn arbeidstijd van thuis uit werkt, mag zijn huisvestingskosten financieren via het mobiliteitsbudget. Uiteraard mits de werkgever deze keuze mogelijk maakt binnen pijler 2.
Volgens het huidige wettelijke kader bestaat er geen limiet op het deel van het mobiliteitsbudget dat aan huisvestingskosten mag worden besteed.
De sociale partners vrezen ongewenste effecten, zoals:
Daarom vragen zij om het inbrengen van huisvestingskosten in pijler 2 te beperken tot maximaal 50% van het mobiliteitsbudget. Deze beperking zou uitsluitend gelden voor nieuw toegekende mobiliteitsbudgetten vanaf de inwerkingtreding van de wetswijziging.
Werkgevers moeten nu verplicht ‘een’ aanbod doen in pijler 2, de pijler van de duurzame mobiliteit.
Volgens de NAR is het huidige wettelijk minimum echter onvoldoende om een echte modal shift te realiseren en werknemers te laten overstappen naar alternatieven voor de bedrijfswagen.
De sociale partners vinden dat een louter formele invulling niet volstaat en vragen:
Het NAR-advies is niet bindend, maar geeft wel een duidelijk signaal. De sociale partners steunen expliciet de overgang naar een verplicht aanbod voor werknemers met recht op een bedrijfswagen. Maar ze koppelen die steun wel aan enkele gerichte bijsturingen.
De concrete wetgeving moet nog volgen, maar dit advies vormt opnieuw een belangrijke stap in de richting van een gefaseerde verplichting vanaf 2027.
Bron: https://www.sd.be/ellawebsite