De sectorale onderhandelingen over de verhoging van de waarde van de maaltijdcheques zijn nog volop aan de gang. In dat kader herinnert de RSZ de werkgevers eraan dat zij tot uiterlijk 30 april 2026 tijd hebben om het bedrag van de maaltijdcheques voor het eerste kwartaal 2026 te regulariseren.
De verhoging van de maaltijdcheque moet wel steeds de vorm aannemen van een bijstorting op de maaltijdchequerekening. Een betaling in cash is niet toegelaten.
Bovendien is het belangrijk om na te gaan of je de geplande verhoging wel màg doorvoeren op ondernemingsniveau in het licht van de hogere sectorale rechtsbronnen en op welke manier je dat best doet.
Werkgevers kunnen RSZ-vrije maaltijdcheques toekennen, mits voldaan wordt aan een reeks voorwaarden.
Zo mag de werkgever slechts één maaltijdcheque toekennen per effectief gewerkte dag. Ook moet hij specifieke grensbedragen respecteren. Per maaltijdcheque bedraagt de minimale werknemersbijdrage 1,09 EUR en het maximale werkgeversaandeel 8,91 EUR.
Daarnaast moet de toekenning van de maaltijdcheques vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sector- of ondernemingsvlak.
Wanneer het sluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is bij gebrek aan een syndicale delegatie, of wanneer de betrokken werknemers niet onder het toepassingsgebied van zo'n collectieve bron vallen, moet de toekenning geregeld worden bij schriftelijke individuele overeenkomst. In dat laatste geval mag het bedrag van de maaltijdcheque niet hoger zijn dan dat, toegekend bij cao in dezelfde onderneming, die de hoogste nominale waarde van de maaltijdcheque bepaalt.
Het maximale werkgeversaandeel om de maaltijdcheque vrij van RSZ en belastingen te kunnen toekennen, werd vanaf 1 januari 2026 met 2 EUR verhoogd, van 6,91 EUR naar 8,91 EUR.
De onderhandelingen op sectoraal of ondernemingsvlak over de effectieve verhoging van de waarde van de maaltijdcheques zijn nog volop aan de gang.
Het is daarbij niet uitgesloten dat de sector (of onderneming) een collectieve arbeidsovereenkomst sluit, die voorziet in een mogelijke of verplichte retroactieve verhoging van het werkgeversaandeel in de maaltijdcheque, bijvoorbeeld vanaf 1 januari 2026.
De RSZ bevestigt in haar tussentijdse administratieve instructies van het eerste kwartaal 2026 dat een retroactieve verhoging van het werkgeversaandeel in de maaltijdcheques, met behoud van het RSZ-vrije karakter, mogelijk is:
1. het aantal toegekende maaltijdcheques in overeenstemming blijft met het effectieve aantal gewerkte dagen; De verhoging van het werkgeversaandeel in de maaltijdcheque mag dus niet gebeuren door toekenning van extra cheques.
2. de werknemer de verhoging ontvangt via een bijstorting op zijn maaltijdchequerekening; Elke betaling van het verschil in geld zal onderworpen zijn aan socialezekerheidsbijdragen.
3. de bijstorting gebeurt uiterlijk op de laatste dag van de maand, volgend op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben.
Werkgevers die een regularisatie van de waarde willen doorvoeren voor het eerste kwartaal van 2026 hebben hiervoor dus uiterlijk tot 30 april 2026 de tijd.
Opmerking 1
De RSZ sluit niet expliciet uit dat een dergelijke retroactieve verhoging ook kan met een individuele overeenkomst. Strikt juridisch is dit volgens ons toegelaten, maar de RSZ ziet dit mogelijk anders.
Opmerking 2
In de RSZ-instructies is enkel sprake van een retroactieve verhoging van de waarde van de maaltijdcheque. Het is verdedigbaar om voorgaande principes ook toe te passen bij een retroactieve toekenning van maaltijdcheques, voor zover dit gebeurt binnen de geldende regularisatietermijnen.
Hier speelt het aspect van de hiërarchie van de rechtsnormen.
Een lagere rechtsbron mag enkel afwijken van een hogere rechtsbron als hij hiermee niet strijdig is. Dit geldt niet enkel voor een individuele schriftelijke overeenkomst ten aanzien van elk type cao, maar ook voor een ondernemings-cao ten aanzien van sectorale cao die hoger in de rangorde staat.
Dit principe vereist een grondige controle van de concrete bewoordingen in de hogere rechtsbron. Check dus altijd goed de formuleringen in de cao!
Wanneer de hogere rechtsbron (bijvoorbeeld de sectorale cao) een maximumnorm oplegt, mag de lagere rechtsbron (bijvoorbeeld de ondernemings-cao) niet méér toekennen dan het maximum.
Ook niet wanneer dit in het voordeel van de werknemers zou zijn. Over dit laatste bestaat vaak een misvatting.
Merk op dat er in geval van toekenning van bedragen niet vaak gebruik gemaakt wordt van zo’n maximumnorm. Doorgaans betreft het een minimumnorm.
Wat verstaan we nu onder een minimum- en maximumnorm en wat betekent dit voor de verhouding tussen de hogere en lagere rechtsbron?
Voorbeeld van een:
Bevat de sectorale cao zo’n minimumnorm, dan mag de werkgever dus méér toekennen dan dat minimum.
Rest de vraag via welk rechtsinstrument dit dan dient te gebeuren: volstaat een individuele overeenkomst of is een ondernemings-cao vereist?
De FOD WASO hanteert een strenge visie en is van mening dat hiervoor steeds een ondernemings-cao vereist is.
De FOD WASO verwijst hiervoor naar het RSZ-Uitvoeringsbesluit.
Dit besluit bepaalt uitdrukkelijk dat het bedrag van de maaltijdcheque, vastgelegd in een individuele overeenkomst, niet hoger mag zijn dan de hoogste nominale waarde die bij cao is bepaald.
Dit betreft een maximumnorm: de cao die van toepassing is in de onderneming bepaalt de hoogste nominale waarde van de maaltijdcheque.
Wanneer een werkgever dus maaltijdcheques wil toekennen waarvan het bedrag hoger ligt dan de minimumnorm, bepaald in de sectorale cao, kan hij dat enkel doen via een ondernemings-cao. Dit geldt ook voor ondernemingen zonder syndicale delegatie. Zij zullen hiervoor een beroep moeten doen op vakbondssecretarissen.
Bronnen:
www.socialsecurity.be - Tussentijdse administratieve instructies 2026/1 https://www.socialsecurity.be/employer/instruction...
https://www.sd.be/ellawebsite