Vanaf 1 januari 2026 is een nieuwe solidariteitsbijdrage ten laste van de werkgever ingevoerd. De wettekst hierover is op 30 december 2025 in het staatsblad verschenen. De bijdrage kadert in een versterkt terug naar werk-beleid. Met ander woorden, hoe sneller de arbeidsongeschikte werknemer het werk hervat (volledig of via een progressieve werkhervatting), hoe lager de solidariteitsbijdrage van de werkgever.
Vanaf 2026
De bijdrage is verschuldigd voor werknemers die langer dan dertig kalenderdagen afwezig zijn wegens arbeidsongeschiktheid. Ze vervangt de huidige responsabiliseringsbijdrage voor bovenmatige instroom in invaliditeit.
Ze bedraagt 30% van de ziekte-uitkeringen die de werknemer ontvangt van het ziekenfonds tijdens de tweede en derde maand van de arbeidsongeschiktheid.
Werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen, zijn vrijgesteld.
De RSZ zal de bijdrage berekenen en innen via een debetbericht.
De regeling treedt in werking op 1 januari 2026. Ze is van toepassing op arbeidsongeschiktheden die aanvangen vanaf die datum.
Vanaf 2027
In het kader van het Begrotingsakkoord werd intussen ook beslist om deze bijdrage van 30% op de ziekte-uitkering uit te breiden naar de vierde en de vijfde maand arbeidsongeschiktheid. De uitbreiding zou ingaan vanaf 1 januari 2027. De wetteksten in verband met deze uitbreiding ontbreken nog.
Wat betekent dit voor de werkgever?
1.1. Principe
De kwartaalbijdrage is verschuldigd door elke werkgever, die personeel tewerkstelt onderworpen aan de sociale zekerheid voor werknemers.
Ze is verschuldigd voor elke werknemer die aan volgende voorwaarden voldoet:
1.2. Uitgesloten werkgevers
Werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen tijdens het jaar waarin de arbeidsongeschiktheid aanvat (jaar n), zijn vrijgesteld van de bijdrage.
Het gemiddelde wordt berekend over referteperiode van 4 kwartalen:
Men deelt het totaal aantal werknemers op het einde van elk kwartaal in de referteperiode door het aantal kwartalen met een DMFA-aangifte
Zijn er geen DMFA-aangiftes in de referteperiode, dan kijkt men naar het aantal werknemers op de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk de eerste tewerkstelling na de referteperiode plaats vond.
De memorie bij de wet verduidelijkt dat men de ‘RSZ-belangrijkheidscode’ gebruikt van het kwartaal waarin de primaire arbeidsongeschiktheid aanvat.
1.3. Uitgesloten werknemers
De bijdrage is niet verschuldigd voor volgende groepen van werknemers:
Ook zij die erkend zijn als doelgroepwerknemers in beschutte werkplaatsen, sociale werkplaatsen en maatwerkbedrijven (PC 327.01.02.03) zijn uitgesloten. Deze uitsluiting staat echter in een aparte wettekst die nog niet definitief is. De tekst wordt binnenkort aangenomen in De Kamer.
2.1. Bedrag & berekening
De solidariteitsbijdrage bedraagt 30% van de som van de ziekte-uitkeringen voor de tweede en derde maand primaire arbeidsongeschiktheid.
De berekening gebeurt van dag tot dag (vb. 02/02 tot 02/04) vanaf de 31ste dag arbeidsongeschiktheid.
De berekeningsbasis voor de bijdrage stemt overeen met het bedrag van de ziekte-uitkeringen voor tweede en derde maand arbeidsongeschiktheid, zoals vastgesteld door het ziekenfonds op de vijftiende dag van de zevende maand, die volgt op de maand waarin de arbeidsongeschiktheid is gestart. Latere wijzigingen aan de ziekte-uitkering worden niet meer in aanmerking genomen.
Is de vijftiende dag een zaterdag, een zondag of een feestdag dan wordt die verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
2.2. Specifieke situaties
Meerdere werkgevers
Indien de werknemer gelijktijdig bij meerdere werkgevers is tewerkgesteld op het ogenblik van de arbeidsongeschiktheid, dan wordt de ziekte-uitkering die als berekeningsbasis dient voor de bijdrage, verdeeld over de verschillende werkgevers. De verdeling gebeurt in functie van ieders aandeel in het gederfd loon.
Voorbeeld – werknemer blijft volledig arbeidsongeschikt gedurende 3 maanden:
Einde arbeidsovereenkomst
Eindigt de arbeidsovereenkomst in de periode van tweede en derde maand arbeidsongeschiktheid, dan wordt de solidariteitsbijdrage beperkt tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
Progressieve werkhervatting
De bijdrage is niet verschuldigd tijdens een periode van progressieve werkhervatting erkend door de adviserend arts van het ziekenfonds.
Moederschapsuitkering
De periodes gedekt door een moederschapsuitkering of vergoeding werkverwijdering in het kader van moederschapsbescherming schorsen de periode van de tweede en derde maand arbeidsongeschiktheid niet.
De solidariteitsbijdrage blijft verschuldigd, maar ze wordt enkel berekend op de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in die periode van twee maanden. Op de moederschapsuitkering wordt de solidariteitsbijdrage niet berekend.
Werkloosheidsuitkering
De bijdrage wordt niet berekend op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voortvloeien uit het gederfd loon dat als basis dient voor de werkloosheidsuitkeringen.
Dit kan bijvoorbeeld voorkomen tijdens periodes van tijdelijke werkloosheid of collectieve vakantie.
2.3. Wanneer en hoe is de bijdrage verschuldigd?
Voor arbeidsongeschiktheden die aanvangen in kwartaal T gebeurt de inning in derde kwartaal volgend op het kwartaal waarin de ziekte startte (T+3).
De inning gebeurt door de RSZ via een debetbericht.
Voorbeeld: Voor een ziekte die aanvangt in januari 2026 zal de bijdrage verschuldigd zijn met de RSZ-bijdragen van het vierde kwartaal 2026.
De ziekenfondsen bezorgen de nodige gegevens aan de RSZ, zodat die instelling de bijdrage kan berekenen.
2.4. Inwerkingtreding
De solidariteitsbijdrage treedt in werking op 1 januari 2026. Ze is van toepassing op primaire arbeidsongeschiktheden die aanvangen vanaf die datum.
Het allereerste debetbericht mag men verwachten samen met de RSZ-bijdragen van het vierde kwartaal 2026.
De inning van de responsabiliseringsbijdrage wegens bovenmaatse instroom in invaliditeit wordt stopgezet. Het laatste debetbericht wordt samen met de RSZ-bijdragen van het vierde kwartaal 2025 verstuurd.
Bron: www.sd.be/ellawebsite