Vanaf 1 januari 2027 moeten werkgevers met gemiddeld minstens 50 werknemers het mobiliteitsbudget verplicht aanbieden aan al hun werknemers met (recht op) een bedrijfswagen.
Ook voor ondernemingen met gemiddeld 15 tot 50 werknemers komt de verplichting er. Zij krijgen wel een extra jaar uitstel tot 1 januari 2028. Kleinere ondernemingen met gemiddeld minder dan 15 werknemers zijn niet verplicht om het mobiliteitsbudget aan te bieden. De ministerraad keurde hiertoe op 9 januari 2026 een voorontwerp van wet goed.
Opgelet! Deze bespreking is gebaseerd op een voorontwerp van wet. De teksten kunnen tijdens de verdere wetgevingsprocedure nog wijzigen. De bespreking geldt tevens onder voorbehoud van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Het mobiliteitsbudget bestaat al sinds 2019. Werknemers die hun (recht op een) bedrijfswagen opgeven, kunnen in ruil daarvoor een mobiliteitsbudget krijgen, gelijk aan de reële jaarlijkse werkgeverskost van die wagen. Binnen dit budget kunnen werknemers vervolgens duurzame mobiliteitskeuzes maken, die beter aansluiten bij hun behoeften.
Tot nu toe kon de werkgever vrij kiezen om dit mobiliteitsbudget al dan niet aan te bieden aan zijn werknemers. Aan deze keuzevrijheid komt een einde. De ministerraad heeft hiertoe een voorontwerp van wet goedgekeurd. Hiermee voert de regering de eerste fase uit van de geplande hervorming van het mobiliteitsbudget, zoals vastgelegd in het federale regeerakkoord 2025-2029.
Werkgevers moeten vanaf 1 januari 2027 verplicht een mobiliteitsbudget aanbieden aan hun werknemers met (recht op) een bedrijfswagen.
De regering voorziet echter uitzonderingen op het verplichte aanbod. Meer bepaald zal de verplichting niet gelden:
Werkgevers met gemiddeld minder dan 50 werknemers krijgen bovendien uitstel tot en met 31 december 2027 om zich in regel te stellen. Voor hen geldt de verplichting bijgevolg pas vanaf 1 januari 2028.
Werknemers behouden wel hun keuzevrijheid om al dan niet in te gaan op dit aanbod van hun werkgever.
Drempel
Om na te gaan of er een verplicht aanbod is, houdt men rekening met een gemiddeld aantal werknemers, tewerkgesteld binnen een referteperiode die loopt van het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar tot en met het derde kwartaal van het vorige jaar. Bij een verplicht aanbod vanaf 1 januari 2027 loopt de referteperiode dus van het vierde kwartaal 2025 tot en met het derde kwartaal 2026.
Om het gemiddelde te bepalen, deelt men het totaal van de werknemers, aangegeven op het einde van elk kwartaal van de referteperiode, door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever werknemers heeft aangegeven bij de RSZ.
Wellicht moeten we rekening houden met:
Dit laat vermoeden dat er telkens in het vierde kwartaal moet nagegaan worden of een verplicht aanbod van het mobiliteitsbudget aan de orde is.
De werkgever moet alle werknemers schriftelijk informeren over het aanbod en de modaliteiten van het mobiliteitsbudget.
Bovendien moet hij een duidelijke toelichting verstrekken over de drie pijlers waaruit het mobiliteitsbudget is opgebouwd en de mogelijke keuzes binnen het aangeboden kader.
Een werkgever moet schriftelijk reageren op de aanvraag van zijn werknemer.
Een eventuele weigering moet hij verantwoorden en moet gebaseerd zijn op objectieve criteria of op het feit dat hij behoort tot de werkgevers die niet verplicht zijn een mobiliteitsbudget aan te bieden.
Enkel werkgevers die één of meer bedrijfswagens ter beschikking stellen van één of meer werknemers gedurende een al dan niet onderbroken periode van meer dan 36 maanden, mogen het mobiliteitsbudget invoeren. Deze wachttermijn kennen we uit de bestaande wetgeving en blijft behouden.
Het verplicht aanbod geldt dus enkel voor werkgevers die voldoen aan deze voorwaarde én op het moment van het aanbod effectief minstens één wagen ter beschikking stellen.
Eens ingestapt in het mobiliteitsbudget kon de werknemer tot nu toe vrij kiezen uit het aanbod van zijn werkgever. Maar ook daar komt nu verandering in.
Werkgevers krijgen het recht om bepaalde categorieën van werknemers te verplichten een keuze te maken binnen pijler 1.
De werkgever zal deze verplichting moeten motiveren aan de hand van objectieve criteria die onder andere verband kunnen houden met de ‘aard van de functie’. Denk hierbij aan werknemers die een wagen nodig hebben om het overeengekomen werk naar behoren te kunnen uitvoeren.
De werkgever mag de effectieve omzetting naar het mobiliteitsbudget uitstellen tot het einde van de lopende huur‑, lease‑ of andere gebruiksovereenkomst van de bedrijfswagen waarover de werknemer beschikt.
Het blijft voorlopig onduidelijk hoe we dit principe moeten toepassen bij wagens die een werkgever in eigendom heeft.
Men is het voorlopig enkel eens geraakt over de gefaseerde verplichte invoering van het mobiliteitsbudget.
Ook aan de inhoud - de keuzes binnen pijler 2 - wil men naar verluidt sleutelen. Maar die besprekingen zijn doorgeschoven naar een later tijdstip.
De ministers moeten zich ook buigen over het lot van wagens die het resultaat zijn van een zogenaamde salary sacrifice. Dit is een belangrijke antimisbruikbepaling in de huidige wetgeving. Vaak dateert de inlevering van brutoloon in ruil voor een bedrijfswagen al van vele jaren geleden, lang voor er sprake was van het federale mobiliteitsbudget. Momenteel komen deze wagens niet in aanmerking voor omzetting in een mobiliteitsbudget. Voorlopig ziet het ernaar uit dat men dit absolute verbod wil handhaven.
Maar dit verbod doet o.i. geen afbreuk op de nieuwe verplichting die binnenkort op de werkgever rust om alsnog een aanbod van mobiliteitsbudget te formuleren.
De omvang van de onderneming bepaalt de ingangsdatum van het verplichte aanbod van het mobiliteitsbudget.
Ondernemingen met:
Ondernemingen met gemiddeld minder dan 15 werknemers zijn vrijgesteld van het verplichte aanbod.
Bron: https://www.sd.be/ellawebsite