Vandaag moet de wekelijkse arbeidsduur van een deeltijdse werknemer minimaal 1/3e bedragen van de arbeidsduur van een voltijdse werknemer die tot dezelfde categorie behoort in de onderneming. Als er in de onderneming geen voltijdse werknemers van dezelfde categorie zijn, moet men zich houden aan de voltijdse arbeidsduur in de sector.
Vanaf 1 juni 2026 verlaagt het wettelijk minimum van 1/3e naar 1/10e.
Voorbeeld: bij een voltijdse arbeidsduur van 38 uur per week zou de minimale wekelijkse arbeidsduur dalen naar 3,8 uur per week (1/10 van 38 uur).
Vandaag kan via een koninklijk besluit of een cao worden afgeweken van de minimum 1/3e-regel uit de wet voor sectoren, ondernemingen of groepen werknemers waarvoor deze grens niet kan toegepast worden.
Het kan gaan om een cao gesloten binnen de sector of de onderneming. Een ondernemings-cao die zo'n afwijking voorziet, moet wel goedgekeurd zijn door het bevoegde paritair orgaan.
Deze mogelijkheid blijft bestaan onder de nieuwe regeling: ook van het minimum van 1/10e kan worden afgeweken via een KB of een cao.
Impact op afwijkingen in bestaande cao's
Heel wat sectoren voorzien vandaag al een afwijking op het wettelijk minimum voor deeltijdse werknemers.
Een sector- of ondernemings-cao kan de minimale wekelijkse arbeidsduur zowel verhogen als verlagen.
De regelingen zijn divers. De impact van de verlaging van het wettelijk minimum naar 1/10e verschilt bijgevolg van sector tot sector en van onderneming tot onderneming. Afhankelijk van de concrete cao-regeling zal het niet in elke sector of onderneming mogelijk zijn om tot het wettelijk minimum van 1/10e te gaan, of om daarvan af te wijken.
Impact op de afwijkingen in het KB van 21.12.1992
Een koninklijk besluit van 21 december 1992 voorziet vandaag enkele afwijkingen op het wettelijk minimum van 1/3e. De wekelijkse arbeidsduur van een deeltijdse werknemer mag in de volgende gevallen lager zijn dan 1/3e:
Afwijkingen blijven bestaan
De wetgever raakt niet aan de opties in het KB.
Het blijft mogelijk om in de gevallen opgesomd in het KB af te wijken van het wettelijk minimum van 1/10e. De minimale wekelijkse arbeidsduur zal in die gevallen dus lager mogen zijn dan 1/10e.
Afwijking voor dagprestaties van minimaal 4 uren
De verlaging van het wettelijk minimum naar 1/10e heeft een impact op de afwijking voor een vaste deeltijdse arbeidsovereenkomst die dagprestaties van minimaal 4 uren voorziet.
In de praktijk verliest deze afwijking haar nut wanneer de werkgever in toepassing van de nieuwe wetgeving tot minimaal 1/10e kan gaan. In veel gevallen zal 1/10e van de voltijdse arbeidsduur in de onderneming (of sector) namelijk lager zijn dan 4 uren.
De aangenomen wet voorziet enkel een verlaging van de minimale wekelijkse arbeidsduur voor deeltijdse werknemers.
Andere beperkingen voor deeltijdse arbeid blijven behouden. Denk onder meer aan:
Bestaande deeltijdse arbeidsovereenkomsten worden niet automatisch gewijzigd door de verlaging van de minimale wekelijkse arbeidsduur naar 1/10e. Werkgever en werknemer moeten de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur blijven respecteren.
Willen zij de wekelijkse arbeidsduur verlagen, dan moeten zij dit contractueel overeenkomen. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de wettelijke (en eventueel sectorale) minimale weekgrenzen, maar ook met eventuele beperkingen inzake minimale prestaties per dag of per werkperiode.
Volledig werklozen die het werk deeltijds hervatten, vragen best het statuut van deeltijdse met behoud van rechten aan. Zo vrijwaren ze o.m. hun recht op voltijdse werkloosheid voor de toekomst. Met andere woorden, zij krijgen opnieuw uitkeringen alsof ze voltijds gewerkt hebben als zij ontslagen worden in hun deeltijdse job. Om dit statuut te bekomen, moeten zij een aantal voorwaarden vervullen, zoals een minimale wekelijkse arbeidsduur.
Onder welbepaalde voorwaarden kunnen zij bovendien, tijdens de uitvoering van de deeltijdse job, boven op hun deeltijds loon een RVA-uitkering, inkomensgarantie-uitkering (IGU) genoemd, ontvangen. De bedoeling van de IGU is om een bepaald niveau van inkomen te waarborgen.
De minimale wekelijkse arbeidsregeling van de deeltijdse werknemer met behoud van rechten is vandaag vastgesteld op minstens 12 uur/week of minstens 1/3 van de voltijdse maatpersoon.
Vanaf 1 juni 2026 wordt deze grens afgestemd op de nieuwe minimale wekelijkse arbeidsduur van de deeltijders, namelijk 1/10 van de voltijdse maatpersoon.
De nieuwe regels gelden vanaf 1 juni 2026. De wet werd definitief goedgekeurd in het parlement en moet nu enkel nog verschijnen in het Belgisch Staatsblad.
Bron: https://www.sd.be/ellawebsite