NL
Gepubliceerd op 16/07/2026

Hervorming personenbelasting: extra heffing bij bovenmatig gebruik forfaitaire voordelen van alle aard

Deze maatregel wil het “bovenmatig” gebruik van voordelen van alle aard die op fiscaal vlak een forfaitaire waardering kennen, ontmoedigen. Er is sprake van zo’n “bovenmatig gebruik” wanneer de totale forfaitaire waarde van deze voordelen meer bedraagt dan 20% van de totale belastbare bezoldiging (= bruto, na aftrek persoonlijke socialezekerheidsbijdragen).

De berekening van deze verhouding gebeurt niet op individueel niveau, maar globaal voor de categorie van werknemers enerzijds en die van bedrijfsleiders anderzijds.

Context

De regering wil het bovenmatig gebruik van forfaitair gewaardeerde voordelen van alle aard (VAA) ontmoedigen.

Forfaitair gewaardeerde voordelen

De wijzigingen situeren zich uitsluitend binnen de fiscaliteit. Men viseert dus de voordelen van alle aard die voor de fiscus een forfaitaire waardering kennen.

Wat wel

We denken hierbij onder meer aan de bedrijfswagen, het privégebruik van een laptop, tablet, smartphone en internet en de terbeschikkingstelling van nutsvoorzieningen in combinatie met een woning.

Ook aandelen-gerelateerde verloningsvormen waarvan het belastbaar voordeel forfaitair bepaald wordt, vallen binnen het toepassingsgebied.

Wat niet

Voordelen van alle aard met een fiscale waardering op basis van de werkelijke waarde blijven buiten beschouwing. Zij ondergaan immers eenzelfde belasting als “gewoon” loon.

We denken hierbij aan de ter beschikking gestelde fiets waarmee de werknemer uitsluitend zuivere privéverplaatsingen doet of aan de betaalde persoonlijke sociale bijdragen van de bedrijfsleider.

Vrijgestelde voordelen zoals maaltijdcheques, fietsvergoeding, … blijven buiten beschouwing.

Bovenmatig voordeel

Er is sprake van een "bovenmatig voordeel" als de totale waarde van de forfaitair geraamde VAA's méér bedraagt dan 20% van de totale belastbare bezoldigingen tijdens het belastbaar tijdperk.

De berekening gebeurt niet op individueel niveau, maar per categorie.

Meer bepaald dus één berekening voor het totaal van de:

  • werknemers op basis van de gegevens van de fiches 281.10; en
  • bedrijfsleiders op basis van de gegevens van de fiches 281.20.

Wat bij overschrijding?

Werknemers en bepaalde bestuurders in de rechtspersonenbelasting : afzonderlijke heffing op het excedent

Op het deel van de voordelen dat de 20%-grens overschrijdt, is de werkgever een afzonderlijke heffing van 7,5% verschuldigd.

Deze heffing zal ook gelden voor de toekenning van “bovenmatige voordelen” aan bestuurders van verenigingen (vzw's) die belast worden in de rechtspersonenbelasting.

Bestuurders of gelijksoortige functies in volgende publieke rechtspersonen zijn uitgesloten van de regeling : de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de OCMW’s, de openbare kerkelijke instellingen en de polders en wateringen (instellingen gevat door art. 220, 1° WIB).

Deze heffing is niet aftrekbaar als beroepskost in de personen- en vennootschapsbelasting.

Bedrijfsleiders: verlies verlaagd tarief

Voor de onderneming betekent de toekenning van “bovenmatige voordelen” aan bedrijfsleiders het verlies van het verlaagd tarief van 20% in de vennootschapsbelasting.

Deze sanctie heeft als gevolg dat vennootschappen die reeds onderworpen zijn aan het normaal tarief in de vennootschapsbelasting niet gesanctioneerd worden als ze bovenmatig forfaitaire voordelen van alle aard toekennen aan bedrijfsleiders.

Voorbeeld

De regering verduidelijkt dit nieuwe principe aan de hand van volgend voorbeeld.

Categorie werknemers

Een vennootschap keert voor 2.300.000 EUR belastbare bezoldigingen uit aan de werknemers.

Hierin zitten volgende (forfaitair gewaardeerde) voordelen begrepen voor een totaalwaarde van 260.000 EUR:

  • forfaitair VAA bedrijfswagens 40.000 EUR
  • aandelenopties – forfaitaire waardering 200.000 EUR
  • woning algemeen directeur (werknemer) 20.000 EUR

Voor de categorie werknemers bedraagt de verhouding 11,3% (= 260.000 / 2.300.000). Dit is minder dan 20%.

De bijkomende heffing is in dit geval niet verschuldigd.

Stel dat de aandelenopties geen 200.000 EUR maar 450.000 EUR bedragen.

De verhouding (bij gelijkblijvende totale bezoldiging) bedraagt dan 22,2% (= 510.000 / 2.300.000).

Dit is meer dan 20%. De bijkomende heffing is bijgevolg verschuldigd en berekenen we als volgt.

Het excedent is 50.000 EUR, met name het verschil tussen 510.000 EUR en 20% van 2.300.000 EUR.

Aan een tarief van 7,5% geeft dit een bijkomende heffing van 3.750 EUR. Deze vormt een verworpen uitgave en is bijgevolg niet aftrekbaar.

Categorie bedrijfsleiders

De bedrijfsleider van deze vennootschap ontvangt volgende bezoldiging via zijn managementvennootschap:

  • bezoldiging in geld: 30.000 EUR
  • VAA bedrijfswagen: 6.000 EUR
  • VAA ter beschikking stelling woning: 20.000 EUR

De forfaitair vastgestelde VAA’s bedragen samen 26.000 EUR, wat meer is dan 20% van de totale bezoldiging van 56.000 EUR.

Deze vennootschap verliest het recht op het verlaagd tarief (van 20%) in de vennootschapsbelasting.

Bron: https://www.sd.be/ellawebsite