NL
Gepubliceerd op 03/03/2026

Centenindex vanaf juni 2026

Eind vorig jaar besliste de regering om in te grijpen op de automatische indexering van lonen en uitkeringen. Al snel was sprake van een ‘centenindex’.

De ingreep op de index vindt tweemaal plaats, in 2026 en 2028. Tot 4.000 bruto (voor uitkeringen 2.000 euro) wordt een loon normaal geïndexeerd. Voor hogere lonen wordt de index afgetopt, ten belope van 2%. De besparing die de werkgever hierdoor realiseert, moet voor de helft aan de RSZ worden doorgestort.

Start vanaf 1 juni 2026, tweede ingreep vanaf 2028

Na een intensieve periode van technische voorbereiding, werd nu het wetsontwerp met de centenindex in het parlement ingediend. Officieel is sprake van een ‘loonmatiging door tijdelijke beperking van de aanpassing van de lonen overeenkomstig een indexeringsmechanisme’. We sommen hier enkel de basisprincipes van de maatregel op. Meer gedetailleerde informatie volgt later. Aangezien de wettekst nog moet goedgekeurd worden, kunnen er ook nog wijzigingen komen.

De startdatum van de centenindex wordt 1 juni 2026. Vanaf dan hebben alle bepalingen, bedingen en beslissingen die voorzien in de koppeling van de lonen aan een indexmechanisme slechts uitwerking ten belope van 2 procent van het referteloon begrensd tot een bedrag van 4.000 euro.

Voor sommige sectoren en bedrijven zal dit nog in 2026 gebeuren, als er nog een indexmoment is. Voor andere wordt het in elk geval 2027.

Vanaf 1 januari 2028 volgt dan de tweede stap – tenzij bij koninklijk besluit een latere datum bepaald wordt, omdat de eerste stap op dat moment nog niet zou afgelopen zijn. De grens van 4.000 euro geldt dan opnieuw, maar dan geïndexeerd met de overheidsindex. Ook hier zal de normale index slechts uitwerking hebben ten belope van 2% van het referteloon begrensd tot een bedrag van (geïndexeerd) 4.000 euro.

Voorbeeld

In het eenvoudigste scenario, met een indexering van 2%, betekent dit dat een indexverhoging maximaal 80 euro (2% van 4.000 euro) bedraagt. Een loon boven 4.000 euro zal dus niet verhogen met de normale index, maar met een bedrag van 80 euro bruto. Of anders uitgedrukt: het deel boven 4.000 indexeert niet, ten belope van 2%. 

Vaak echter is het indexmechanisme afwijkend van dit scenario. Het indexpercentage kan bijvoorbeeld hoger of lager dan 2% zijn.

Vast basisloon

De centenindex is zowel op de barema’s (in sectoren en ondernemingen), als op de reële lonen van toepassing. We kijken immers naar het bruto maandelijks vast baremiek of contractueel basisloon op voltijdse basis. Is dat maximaal 4.000 euro bruto, dan gelden de normale indexregels. Is het hoger dan 4.000 euro, dan is er een beperking van de index.

Een deeltijds loon wordt aan de hand van de tewerkstellingsbreuk omgerekend naar een voltijds loon. Een uurloon wordt vermenigvuldigd met de voltijdse wekelijkse arbeidsduur, vermenigvuldigd met dertien en gedeeld door drie.

Het vast basisloon is een erg belangrijk element. Het bedrag ervan bepaalt of de centenindex (en de nieuwe patronale loonmatigingsbijdrage, zie verder) van toepassing is. Het vast basisloon is niet afhankelijk van prestaties of uren. Het omvat bijvoorbeeld niet: overloon, maaltijdcheques, prestatiebonussen, eindejaarspremies, ecocheques, winstpremies, variabele premies of vergoedingen, toeslagen voor nacht- of weekendarbeid, …

De notie ‘vast basisloon’ zal in de meeste situaties vrij eenvoudig te bepalen zijn. Toch zal het her en der nodig zijn om bepaalde loonelementen van naderbij te bekijken, en te beoordelen of ze wel of niet tot het vast basisloon behoren.

Patronale loonmatigingsbijdrage

Een belangrijk punt in deze wetgeving wordt de nieuwe, patronale bijzondere loonmatigingsbijdrage. De werkgever zal immers de helft van de gerealiseerde besparing aan de RSZ moeten doorstorten.

De bijdrage zal verschillende vormen (en berekeningsmodaliteiten) aannemen:

  • een bijzondere loonmatigingsbijdrage, tijdens de eerste en de tweede matigingsperiode.
  • een voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage, zodra het matigingseffect de eerste maal wordt bereikt;
  • en een definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage, zodra het matigingseffect de tweede maal wordt bereikt.

De ontwerpwet bevat de formule van de bijzondere loonmatigingsbijdrage, verschuldigd tijdens de eerste en de tweede matigingsperiode. Kort samengevat berekent die formule de helft van het verschil tussen een normale indexering en de beperkte indexering, vermeerderd met de globale werkgeversbijdrage.

Een fictief voorbeeld (met 2% index en 25% werkgeversbijdrage): de index op 5.000 euro bedraagt 80 (2% van 4.000) in plaats van 100 euro (2% van 5.000). Het verschil bedraagt dus 20 euro, vermeerderd met 25% bijdrage wordt dat 25 euro. De bijzondere loonmatigingsbijdrage is 12,5 euro.

De berekeningswijze van de voorlopige en de definitieve geconsolideerde bijdrage zal later nog bij koninklijk besluit bepaald worden.

Verplichte toepassing

De ontwerpwet bevat ten slotte een bepaling die de werkgevers oplegt de centenindex ook effectief uit te voeren. Letterlijk luidt het: de werkgevers worden geacht de index toe te passen overeenkomstig deze wet (dus met een beperking voor lonen boven 4.000 euro). Elk tegenstrijdig beding wordt als niet-bestaande beschouwd.

Of een werkgever hiermee de centenindex naast zich kan neerleggen, en een normale indexering toepassen, is voer voor discussie. Hoewel in strijd met de wet (‘de werkgever wordt geacht de wet toe te passen’), is er geen expliciete sanctie voorzien. Of dan ook de loonmarge overschreden wordt, vraagt een concrete berekening – de werkgever betaalt in elk geval ‘iets’ boven op de wettelijke indexering.

Wat in elk geval heel duidelijk is: de patronale bijzondere loonmatigingsbijdrage is altijd verschuldigd!

Bron: https://www.sd.be/ellawebsite