In het kader van het begrotingsakkoord heeft de federale regering de intentie uitgesproken om de registratie van arbeidstijd te verplichten vanaf 1 januari 2027.
Vanaf dan zou elke werkgever in de private en publieke sector moeten beschikken over een objectief, betrouwbaar en soepel systeem om de dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer te registreren. Werkgevers zouden wel vrij kunnen kiezen op welke manier de arbeidstijd wordt opgevolgd. Verdere details zijn op dit moment niet bekend.
Deze beslissing is het voorlopige hoogtepunt in een discussie die de afgelopen jaren steeds prominenter werd, aangezwengeld door Europese en Belgische rechtspraak en de plannen rond flexibele arbeid in het federale regeerakkoord.
Opgelet!
Deze bespreking is gebaseerd op een politiek akkoord. De intentie van de regering is duidelijk, maar de concrete uitwerking moet nog in de wetgeving worden uitgewerkt.
Op dit moment is er nog geen algemene wettelijke verplichting tot tijdsregistratie, behalve in bepaalde specifieke situaties, zoals bijvoorbeeld bij glijdende uurroosters. Het is echter ook niet verboden om aan arbeidstijdregistratie te doen. Zo'n systeem kan een werkgever bepaalde voordelen bieden:
Vanaf 2027 zal hier verandering in komen. De regering moet de modaliteiten van deze nieuwe verplichting om arbeidstijd te registreren nog concretiseren.
1. Tijdsregistratie al jaren een hot topic
1.1. Europa zet de toon: sleutelarresten CCOO en Loredas
1.2. De Belgische rechtspraak
1.3. Belgische wetgever bleef afwachtend
2. Federale regering neemt nu initiatief
3. Inwerkingtreding
Dat de regering nu een knoop doorhakt over de verplichte tijdsregistratie, is geen verrassing. De druk om de Belgische wetgeving aan te passen is de voorbije jaren toegenomen, zowel vanuit Europese hoek als door ontwikkelingen in België.
1.1. Europa zet de toon: sleutelarresten CCOO en Loredas
Het Europees Hof van Justitie zette de toon in 2019. In de zaak ‘CCOO’ concludeerde het Hof dat de lidstaten werkgevers moeten verplichten om een “objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem” in te voeren om de dagelijkse arbeidstijd van elke werknemer te meten. Eind 2024 bevestigde het Hof deze visie in de zaak ‘Loredas’ (een zaak in verband met arbeidstijdregistratie voor huishoudelijk personeel).
Enkel zo een systeem kan namelijk controleren:
en
Hoewel deze arresten over Spaanse wetgeving gingen, zijn ze richtinggevend voor alle EU-lidstaten, dus ook voor België. Ook nationale rechters moeten aan Belgische wetgeving waar mogelijk een richtlijnconforme interpretatie geven, hierbij geleid door de interpretatie ervan in de rechtspraak van het Hof van Justitie.
1.2. De Belgische rechtspraak
Verschillende Belgische rechtbanken hebben zich al uitgesproken over de problematiek.
Er zijn rechters die in discussies over overuren meer verantwoordelijkheid leggen bij werkgevers die geen systeem van arbeidstijdregistratie hebben. Omdat de werkgevers in dat geval zelf niet konden bewijzen welke uren al dan niet gewerkt werden, veroordeelde de rechter hen sneller tot de betaling van achterstallig loon en overloon.
Andere rechters geven aan dat het de verplichting is van de Belgische overheid om een algemeen systeem van arbeidstijdregistratie op te zetten en dat een werkgever daar in discussies met een werknemer over bvb. achterstallig loon en overloon, niet de dupe van mag zijn. De werknemer die hierop recht meent te hebben moet zelf bewijzen welke uren hij presteerde.
De Belgische rechtspraak is dus niet unaniem over hoe de arresten van het Hof van Justitie in de Belgische context moeten worden toegepast.
1.3. Belgische wetgever bleef afwachtend
De Belgische wetgever heeft tot nu toe geen algemene wettelijke verplichting ingevoerd voor werkgevers om een systeem van tijdsregistratie te gebruiken. De concrete vertaling van de Europese rechtspraak naar de Belgische context blijkt niet vanzelfsprekend. De meningen over de noodzaak en de concrete vorm van zo'n verplichting waren de afgelopen jaren telkens sterk verdeeld, waardoor een wetgevend initiatief uitbleef.
In België bestaat er momenteel enkel in specifieke gevallen een wettelijke registratieplicht, bijvoorbeeld bij glijdende uurroosters, afwijkingen op de uurroosters van deeltijdse werknemers, of in bepaalde sectoren zoals de bouw (bv. Checkinatwork).
De regering spreekt de duidelijke intentie uit om de registratie van arbeidstijd te verplichten vanaf 1 januari 2027 in de private en de publieke sector. De manier waarop de arbeidstijd wordt opgevolgd zou de werkgever vrij kunnen kiezen. De precieze modaliteiten moeten nog worden uitgewerkt in wetgeving.
Ook het regeerakkoord sprak al over de invoering van tijdsregistratie samen met de invoering van een nieuw wettelijk kader voor flexibele arbeid, zoals ‘annualisering van de arbeidstijd’. De regering concretiseerde dit toen niet.
De regering vroeg recent ook aan de Nationale Arbeidsraad om zich opnieuw uit te spreken over de vraag of tijdsregistratie verplicht moet worden. De meningen zijn verdeeld. De werknemersorganisaties zijn voorstander van tijdsregistratie, terwijl de werkgeversorganisaties tegen zijn. We bespraken dit in onze nieuwsbrief van 22 oktober 2025.
De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027.
Bron: https://www.sd.be/ellawebsite