NL
Gepubliceerd op 27/11/2025

Begrotingsakkoord: ingreep op de index

In het kader van het begrotingsakkoord heeft de Arizona-regering beslist tijdelijk in te grijpen op de indexering van lonen, zowel in de publieke als in de private sector. Ook voor indexering van sociale uitkeringen (werkloosheid, ziekte, pensioen, …) zal dat gebeuren.

De informatie waarover we op dit moment beschikken, volstaat niet om de vele vragen daarover al te kunnen beantwoorden. Zowel timing, toepassingsvoorwaarden als berekeningsregels zijn nog onduidelijk.

Centenindex

Het principe is vrij eenvoudig: tot een bepaald bruto grensbedrag zal de normale indexering gelden, daarboven grijpt men in. Dat zal twee keer gebeuren, in 2026 en 2028. Voor lonen en wedden geldt een grensbedrag van 4.000 euro bruto, voor sociale uitkeringen gaat het om 2.000 euro bruto.

Voor lonen en uitkeringen boven dat bedrag zal een beperkte indexering plaatsvinden, althans in 2026 en 2028. Voor wie maandelijks meer verdient dan 4.000 euro bruto, bijvoorbeeld 6.000 euro bruto, zal op die manier niet een ‘normale’ indexverhoging van 120 euro (2% van 6.000), maar een beperkte indexering van 80 euro (2% van 4.000 euro) gelden. Dit voorbeeld is echter veel te eenvoudig, dat bespreken we later.

Voordeel: 50% voor de werkgever, 50% voor de overheid

De impact op de begroting is wel duidelijk. Het overheidsbudget stijgt minder snel, omdat de indexering van de ambtenarenlonen boven 4.000 euro en de sociale uitkeringen boven 2.000 euro, beperkt zal zijn.

Ook werkgevers in de private sector zullen een financieel voordeel genieten. Een loon boven 4.000 euro bruto zal slechts beperkt indexeren. De werkgever bespaart een deel brutoloon, verhoogd met patronale bijdragen.

De regering besliste het voordeel van de werkgever wel af te romen. Private werkgevers behouden 50% van de besparing vergeleken met een ‘normale’ indexering, en zullen de andere 50% aan de overheid moeten storten.

Complexiteit

Tot daar echter de eenvoud. De realiteit is immers veel complexer. Dé index bestaat niet. En een ‘normale’ index van 2% al evenmin.

In de publieke sector geldt wel een systeem van spilindex, waarbij wedden en uitkeringen stijgen met 2% vanaf de derde maand nadat een bepaalde spil gelinkt aan de inflatie, overschreden is. De overschrijding van de spil is echter moeilijk te voorspellen, en is altijd onzeker. Zo zou er bijvoorbeeld in 2026 of 2028 geen overschrijding kunnen zijn (al is dat voor 2026 onwaarschijnlijk). Maar misschien zijn er wel meerdere overschrijdingen, en dus ook indexeringen. Al horen we dat in die laatste situatie slechts een ingreep op één indexering zou gebeuren.

In de private sector gelden echter verschillende sectorale indexsystemen, bepaald in bindende cao’s. Timing en percentage van loonindexering variëren dan sterk.

Soms indexeert het loon jaarlijks, maar met een variabel percentage (dus niet 2%). Al kan dat ook twee keer per jaar, elk kwartaal, om de twee maanden, of zelfs maandelijks gebeuren (uiteraard ook niet met 2%). Andere sectoren indexeren wel met een spilindex, maar niet altijd op dezelfde wijze, op hetzelfde moment en met hetzelfde percentage als bij de overheid.

Sommige sectoren indexeren daarenboven niet alle effectieve lonen, maar bijvoorbeeld enkel de sectorale baremalonen. Bedrijven kunnen wel afwijkende indexafspraken hanteren – zolang ze minstens de sectorale regels respecteren.

Het begrip ‘te indexeren loon’ is evenmin evident. Een loon bestaat immers niet enkel uit een maand- of uurloon, maar kan veel meer elementen bevatten, die al dan niet indexeren. Denken we maar aan bepaalde premies. Of de grens van 4.000 euro slechts pro rata zal gelden voor deeltijders, is momenteel ook nog een open vraag.

Timing onzeker

In elk geval komen de eerste indexmomenten in 2026 er al snel aan. In januari indexeren bijvoorbeeld de lonen in paritair comité 200 (bedienden), in de horeca, de voedingsnijverheid en de transportsector. Ook in de bouwsector (PC 124) is er een indexering, maar dan slechts één van de vier kwartaalindexen die daar gelden.

Als de reglementering niet uiterlijk eind 2025 aangepast wordt, moet de werkgever de normale indexregels toepassen. Een volgend indexmoment in die sectoren komt dan pas in januari 2027.

Het is momenteel onduidelijk of de deadline van eind 2025 gehaald kan worden. Velen twijfelen daaraan. Een retroactieve inwerkingtreding van deze ingreep op de index lijkt ons niet mogelijk.

Loonmatigingsbijdrage

Ook de bepaling van het voordeel van de werkgever, en de wijze waarop hij 50% daarvan aan de overheid moet storten, roept vandaag veel vragen op. Een exacte berekening van het voordeel, voor elke werkgever een verschillend bedrag, op basis van de vele indexsystemen en de verschillende brutolonen, met variaties in de tijd, is uiteraard onbegonnen werk.

Mogelijk inspireert de overheid zich op het verleden. Sinds het midden van de jaren ’80 betalen werkgevers immers een patronale loonmatigingsbijdrage. Die is toen ingevoerd als compensatie voor het voordeel dat werkgevers genoten door enkele indexsprongen in 1984, ’85 en ’86. Ze zit vandaag nog steeds vervat in de patronale loonkost, weliswaar met enkele aanpassingen die in de loop der jaren zijn aangebracht.

Bron: https://www.sd.be/ellawebsite