Het nationaal bruto gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) verhoogt op 1 april 2026 met 35,70 EUR. Het nieuwe basisbedrag GGMMI op 1 april 2026 is bijgevolg 2.189,81 EUR. De Nationale Arbeidsraad (NAR) legde dit bedrag op 24 maart 2026 vast in CAO nr. 43/18.
Deze aanpassing vormt de derde stap in de geleidelijke verhoging van het nationaal bruto GGMMI. De stapsgewijze verhoging vloeit voort uit het interprofessionele afsprakenkader tussen de sociale partners van 25 juni 2021 en CAO nr. 43/15 van 15 juli 2021. De vorige verhogingen vonden plaats op 1 april 2022 en 1 april 2024.
Dit GGMMI is van toepassing op werknemers vanaf 18 jaar en op studenten vanaf 21 jaar.
Het waarborgt een minimumloon op maandbasis dat als gemiddelde in principe ook rekening houdt met de eindejaarspremies.
Het nationaal GGMMI staat los van de (sectorale) schaallonen of barema's. Een verhoging van dit GGMMI heeft op zich dan ook geen (rechtstreekse) impact op deze schaallonen.
De bedragen van het GGMMI voor studenten onder de 21 jaar zullen hierdoor ook verhogen op 1 april 2026. Het GGMMI voor studenten jonger dan 21 jaar (en werknemers onder de 18 jaar) is van toepassing indien de sector geen minima voor werknemers onder de 21 jaar heeft voorzien.
De impact van deze maatregel voor de privésector is in de praktijk eerder beperkt.
De federale overheid komt tussen in de kosten van de verhoging van het GGMMI voor werkgevers en werknemers. Er gebeurt een gedeeltelijke compensatie via fiscale en parafiscale weg.
Werkgever: versterking structurele bijdragevermindering
De compensatie voor de werkgevers gebeurt via de structurele vermindering.
Overeenkomstig het regeerakkoord 2025-2029, nam de Regering structurele maatregelen om de loonkost voor werkgevers te verminderen met het oog op verbetering van onze concurrentiekracht.
Deze aanpassing van de berekeningsformule van de structurele vermindering was al eerder voorzien in de reglementering. Deze versterking van de structurele vermindering is 'op macroniveau' een gedeeltelijke compensatie van de loonkostenstijging door de verhoging van de minimumlonen.
Werknemer: stijging GGMMI verhoogt sociale en fiscale werkbonus
Sociale werkbonus
De compensatie voor de werknemer verloopt via de werkbonus. Hierdoor houdt de werknemer netto meer over van de bruto-verhoging.
De sociale werkbonus is een systeem van vermindering van werknemersbijdragen. Het is enkel voor werknemers met een laag loon tot ongeveer 3.330 euro bruto per maand voor voltijdse prestaties. De werkgever brengt het bedrag in mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij de betaling van het loon. Op die manier zorgt de sociale werkbonus voor een hoger nettoloon, zonder dat het brutoloon stijgt.
Het bedrag van de werkbonus is afhankelijk van de zone waarin het refertemaandloon (S) van de werknemer zich bevindt. De vermindering is in principe een forfaitair bedrag dat geleidelijk vermindert naarmate het loon stijgt. Sinds juli 2023 hanteren we 4 loonzones afgebakend door drie loongrenzen (S1, S1bis en S2).
Vanaf april 2024 moet de sociale werkbonus opgesplitst worden in een luik A (lage lonen) en een luik B (zeer lage lonen). De totale sociale werkbonus = luik A + luik B. De opsplitsing laat toe om per luik een verschillend percentage aan fiscale werkbonus toe te passen.
De grenzen en forfaits van de sociale werkbonus zijn rechtstreeks gekoppeld aan het GGMMI. Ingevolge de verhoging van het GGMMI op 1 april 2026, verhogen dan ook de loongrenzen en forfaits van de sociale werkbonus. Dit brengt een kleine verhoging mee van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van de werknemers met een laag loon.
Fiscale werkbonus
De fiscale werkbonus is een belastingvermindering voor de werknemers met lage lonen die een sociale werkbonus genieten. De fiscale werkbonus is een percentage op de sociale werkbonus.
De vermindering wordt toegepast in de bedrijfsvoorheffing, na alle bestaande verminderingen (voor personen ten laste, groepsverzekering, voor vermindering presteren van overwerk met recht op een overwerktoeslag en werknemers met recht op een verhoogde belastingvrije som).
De regering wil het verschil tussen werken en niet-werken vergroten, in het bijzonder voor de laagste lonen. Werken moet altijd meer lonen dan niet-werken.
Om dat doel te bereiken en in het kader van de verhoging van het GGMMI zal vanaf 1 januari 2026 (aanslagjaar 2027) de fiscale werkbonus verhogen. Een tweede versterking is gepland vanaf 2028.
Een grotere fiscale werkbonus zorgt voor een groter ‘nettoresultaat’ van de stijging van het GGMMI. De bruto verhoging van het GGMMI van 35,70 EUR vanaf 1 april 2026 moet 50 euro netto opleveren voor de werknemers betaald aan het GGMMI.
Het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting voorziet:
- voor de zeer lage looncomponent (luik B) een stijging van het percentage fiscale werkbonus van 52,54% naar 63% voor de aanslagjaren 2027 en 2028, én een verdere verhoging naar 72% vanaf aanslagjaar 2029.
- voor de lage looncomponent (luik A) een stijging van het percentage fiscale werkbonus van 33,14% naar 35% vanaf aanslagjaar 2029.
Deze verhoogde percentages worden in eerste instantie doorgevoerd in de personenbelasting én daarna ook doorgetrokken in de bedrijfsvoorheffing. Momenteel blijven de percentages fiscale werkbonus nog ongewijzigd voor de maandelijkse loonberekening. We verwachten dat de regels van de inhouding van bedrijfsvoorheffing (Bijlage III) nog aangepast zullen worden zodra de wet gestemd is.
Het nationaal bruto gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) verhoogt op 1 april 2026 tot 2.189,81 EUR. Deze verhoging heeft geen (rechtstreekse) impact op de sectorale schaallonen.
Werkgevers uit sectoren die geen schaallonen en eigen GGMMI hebben uitgewerkt, moeten wel rekening houden met het verhoogd nationaal GGMMI vanaf 1 april 2026.
Sectoren met een eigen GGMMI moeten op 1 april 2026 een toetsing doorvoeren met het nieuwe basisbedrag van het nationaal GGMMI en dit nationale bedrag toepassen indien dit hoger uitvalt.
De verhoging van het GGMMI kan onrechtstreeks gevolgen hebben wanneer het aan de basis ligt van de berekening van bepaalde vergoedingen (bijvoorbeeld de leervergoeding in het kader van een overeenkomst alternerende opleiding in Vlaanderen en Wallonië).
Bron: https://www.sd.be/ellawebsite